Omgeving

Ligging molen

Poldermolen De Rietvink staat net binnen de dorpsgrens van Nijetrijne, één van de 26 dorpen die de gemeente Weststellingwerf rijk is. Weststellingwerf is een Friese gemeente gelegen in de uiterste Zuidoosthoek op de grens met Drenthe en Overijssel. 

Weststellingwerf kent in tegenstelling tot grote delen van de rest van de provincie, haar eigen streektaal het Stellingwarfs.

Binnen de gemeente staat het gebied waarin De Rietvink is gelegen, bekend als De Westhoek, oftewel de Groote Veenpolder in Weststellingwerf.

De Rietvink ligt aan de rand van het zowel nationaal als internationaal vermaarde natuurreservaat De Rottige Meente, eigendom van het Staatsbosbeheer.

Eeuwenlang is dit laagveengebied in de Westhoek van de gemeente Weststellingwerf onbewoond en eenzaam geweest.

De boeren op de hoger gelegen zandgronden benutten in de zomer het moerassige land om hooi te winnen. De Rottige Meente is daar een treffend voorbeeld van.

Vervening 

Hoewel voor de turfgraverij in eerste instantie nagenoeg alle aandacht in Friesland gericht was op de hoge venen met name in de Zuidoosthoek, vonden als sinds de Romeinse tijd ook kleine verveningen plaats in de lagere delen van de provincie.

Primitief eerst, zoals ook hoogveen gestoken en te drogen gezet werd.

Met de komst van de Gietersen in het voorjaar van 1751 naar deze streken kwam de wijze van het zogenaamde baggelen in zwang: veengrond, ook wel ‘klijn’ of ‘klien’ genoemd, in platte bakken mengen met water, fijntrappen, de modderbrij in een dikke laag op het veld laten drogen en dan tot harde baggelturf steken.

Wat achterbleven waren de petgaten in het land, gevuld met water, afgewisseld met de zogenaamde ‘hagen’ of ‘ribben’, de strook grond tussen twee petgaten waar het natte veen op uitgespreid werd om te drogen.

De mannen uit Giethoorn brachten echter een nieuwe techniek van veengraven, die in betrekkelijk korte tijd bepaalde delen van Friesland tot één groot merengebied dreigde te maken, zoals Giethoorn en omgeving nu nog uitziet.

De Gietersen gebruikten namelijk een ijzeren beugel met netten, waarmee ze het veen van grotere diepte tot op het zand naar boven haalden. De petgaten werden dieper en groter.

Op deze wijze konden de Gietersen voor een veel lagere kostprijs produceren, immers dijken en molens waren niet nodig.

Friese vervening aan banden. 

De laagveengebieden in Friesland hadden sinds mensenheugenis al last van overstromingen, maar door de grootscheepse vervening werd het alleen maar erger. Ingrijpen van hogerhand lag voor de hand. 

Na veel discussie en protest van de verveners die hun winstmarges is gevaar zagen komen, kwam er in 1822 een Koninklijk Besluit: Voor een veenderij was een vergunning nodig, terwijl na vervening inpoldering moest volgen. Bovendien dienden verveners naar de hoeveelheid turf die werd geproduceerd een bijdrage (‘slikgeld’) voor het onderhoud en de drooglegging van het verveende land te betalen. Ook moest een bijdrage betaald worden per hoeveelheid turf voor veenarbeiders die ná de vervening werkloos in het gebied zouden achterblijven, het armengeld.

Toen de veenbazen bleven tegenwerken, zond koning Willem I, tien jaar later, jonkheer E. de la Costa vanuit Brussel naar Friesland om rapport op te maken. De periode van de wilde verveningen was voorbij. De la Costa stelde dertien veenpolders in met de bepaling dat ná de vervening er weer bewerkbaar land zou komen. De Groote Veenpolder in Weststellingwerf was daar één van.

Groote Veenpolder in Weststellingwerf 

De polder, die ongeveer 3600 ha groot was, werd opgericht in 1847. In dat jaar verleende koning Willem II octrooi (vergunning) tot: ‘het bepolderen, verveenen en droogmaken’ van de gronden gelegen tussen de Tjonger, de Helomavaart, de Linde en de Statendijk.

Het octrooi bevatte onder andere bepalingen over het bestuur van de veenpolder. Dit zou bestaan uit een grietman – de voorloper van de burgemeester – van Weststellingwerf en vier andere personen, die benoemd zouden worden door Gedeputeerde Staten van Friesland op voordracht van de inwoners van de polder. 

In het octrooi werd bepaald dat een ringdijk zou worden aangelegd. Verder zouden er drie sluizen gebouwd worden: twee op de punten waar de Scheene en de te graven Gracht aansloten op de Helomavaart en een derde ter hoogte van Schoterzijl.

Tot slot was nog de aanleg van een aantal turfvaarten, drie bruggen en twaalf molens, later verminderd tot zes, gepland.

De uitvoering van deze werken liep echter vertraging op, onder meer doordat de verveners weigerden om achterstallige slikgelden te betalen.

De ruzie daarover liep zelfs zo hoog op dat er in juni 1850 een compagnie infanterie naar het gebied gestuurd moest worden om de verveners te dwingen hun verveningswerkzaamheden te staken.

In 1852 werd er een akkoord bereikt met de wanbetalers. Daarna kwam er weer schot in de werkzaamheden.

Zo rond 1860 was de inpoldering in grote lijnen gereed. De vervening liep nog door tot kort na de Tweede Wereldoorlog.

Zo rond 1920 werden er plannen tot droogmaking van de in de Groote Veenpolder verveende grond gemaakt.. 

Provinciale Waterstaat van Friesland kwam met een plan tot droogmaking van een ca. 2110 ha groot complex langs de Gracht.

In 1928 werd met de uitvoering van het plan begonnen. Aan de Langelille werd een elektrisch gemaal gesticht ter ontwatering van de zogenoemde Grachtkavel.

De Gracht werd ingericht tot hoofdafvoerkanaal. Vier molens werden buiten werking gesteld en de schutsluis bij de Schoterzijl kwam te vervallen.

In het midden van de vorige eeuw werden er plannen gepresenteerd tot drooglegging van het overige deel van de polder, de zogenaamde Scheenkavel.

Protesten van met name de riettelers, die hun inkomsten verloren zagen gaan, leidden tot het niet doorgaan van de plannen. 

Slechts een ontwateringsplan kwam rond 1960 tot uitvoering met o.a. de bouw van. een nieuw gemaal aan de Helomavaart, het huidige ‘Willem Jongsmagemaal’ nabij de Oldetrijnsterbrug. De drie tot dan nog in werking zijnde molens (waaronder De Rietvink) werden in 1964 stilgelegd.

De Rottige Meente.

‘De Rietvink’ staat aan de rand van het ruim 1100 ha grote natuurreservaat ‘De Rottige Meente’.

Dit gebied dat wordt begrensd door de Helomavaart aan de oostzijde, het ‘Voetpad’ aan de noord- en westzijde en De Lende aan de zuidzijde.

Het natuurgebied maakte in het verleden deel uit van een grootschalig laagveengebied dat zich uitstrekte van het Lage Midden van Friesland tot in Noordwest-Overijssel.

Evenals de gebieden in het aangrenzende, in Noordwest Overijssel gelegen Nationale Park “Wieden – Weerribben” , heeft De Rottige Meente zijn ontstaan te danken aan de grootscheepse verveningactiviteiten die er hebben plaatsgevonden.

De eerste aankopen werden in 1955 gedaan door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk gedaan , toen de plannen tot ontginning van het gebied mislukten.

Door verschillende vormen van beheer, zoals het maaien van rietlanden, het hooien van de zeldzame schraalgraslanden en het laten beweiden van grasland, houdt Staatsbosbeheer een grote verscheidenheid aan natuur in stand.

Fiets- en wandelpaden maken het mogelijk om het gebied te doorkruisen. De door het Staatsbosbeheer geplaatste panelen geven u tijdens uw ontdekkingstochten uitgebreide informatie over de natuur en de cultuurhistorie van het zeer interessante gebied.

Een zeer bijzondere ervaring levert u ongetwijfeld het bezoek aan de aan de Lindedijk, in de omgeving van Paviljoen ‘De Driewegsluis’, gebouwde observatiehut op. Het bezoek geeft een schitterend overzicht over het gebied dat eens gebruikt werd als gemeenschappelijke weide- en hooilanden en waarvan de kwaliteit te wensen overliet. Hiermee is de naam Rottige Meente in een keer verklaard.

De natuur in de Rottige Meente.

Een wandeling in de Rottige Meente is een ware ontdekkingstocht. Dwalen tussen de rietvelden, de petgaten, de broekbossen en voorzichtig lopen over de vlonders in het moeras levert veel verrassingen op.

Door de verschillende vormen van beheer in de deelgebieden, houdt de eigenaar het Staatsbosbeheer een grote verscheidenheid aan natuur in stand.

Schraalgraslanden vormen het leefgebied voor de steeds zeldzamer wordende vlinder, de zilveren maan en er groeien zeldzame orchideeën. Gemaaide rietlanden vormen de plaats waar de grote vuurvlinder zich thuis voelt en tussen het riet broeden de roerdomp en de bruine kiekendief. Op de zethagen is de ree een zeer regelmatige verschijning en met heel veel geluk zal de terug in de Rottige Meente zijnde visotter uw pad kunnen kruisen. 

Vanaf de Lindedijk vallen in de afgelopen jaren nieuw aangelegde petgaten heel veel vogels te spotten. Verschillende soorten eenden en ganzen hebben het daar zeer naar hun zin. De grote zilverreiger is beslist geen zeldzame verschijning meer evenals de ooievaar die het gebied vanuit het ooievaarstation van de familie Maarssen in Spanga het gehele jaar door steeds dichter komt bevolken. Met enig geluk valt er af en toe een jonge visarend waar te nemen.

Mogen bovengenoemde soorten de krenten uit de pap worden genoemd, de zeer grote verscheidenheid aan andere dieren, vogels, planten en insecten zullen u versteld doen staan.

Naast de fietspaden zijn het de verschillende door het Staatsbosbeheer uitgezette ‘paaltjesroutes’ die u langs al dat moois leiden met een speciale verwijzing naar de aan de Lindedijk – nabij Paviljoen De Driewegsluis – aanwezige natuurobservatie hut.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Beheerscentrum Jubbega van het Staatsbosbeheer: 0516 - 425030.

© Albert Westerhuis 2013